1975, Een nieuwe Muziek Pedagogische Akademie

uit: Mens en melodie

02/1975

Twee jaar geleden is een nieuwe figuur aan het firmament van de muzikale vak- opleiding verschenen: de Muziekpedagogische Akademie, die men een kweek- school voor muziekonderwijzers zou kunnen noemen. [1]

Daarmee is een eind gekomen aan de ingewikkelde drieslag: Conservatorium – Muzieklyceum – Muziekschool met Vakopleiding, volgens welke de muzikale vakopleiding gedurende ruim tien jaar was ingedeeld. Voortaan kent het hoger beroepsonderwijs op muziekgebied slechts twee instituten: het Conservatorium met een volledig examenpakket, waarin zowel de einddiploma’s voor uitvoerende kunstenaars als de onderwijszaken zijn opgenomen, en de Muziekpedagogische Akademie, waar men zich beperkt tot de opleiding voor de muziekonderwijsakten A en B en voor de praktijkdiploma’s, die gericht zijn op het leiding geven aan het amateuristische- en aan het kerkelijke muziekleven.

Het in het leven roepen van een speciale Muziekpedagogische Akademie vond z’n oorzaak in het feit dat de vraag naar gekwalificeerde muziekonderwijskrachten zo- wel door de vlucht, die het muziekschoolwezen heeft genomen, als door het feit dat de muziek in verscheidene schoolaktes als expressiever is opgenomen, aanzienlijk is toegenomen. Men zit zowel in de ene als in de andere sector te springen om bevoegde leerkrachten. Om hiervan enige voorbeelden te geven: in het muziek- schoolbestel is men genoodzaakt om ongeveer ¼ deel der lesuren aan (nog) onbevoegde docenten toe te vertrouwen. Dit geldt allereerst voor vakken als fluit en gitaar, maar het tekort is wel het meest nijpend ten aanzien van het vak Algemene Muzikale Vorming (AMV), dat een integrerend onderdeel van het muziekschool- onderwijs vormt. Met de vakken Schoolmuziek en AMV op de scholen voor Voort- gezet Onderwijs is het minstens zo karig gesteld: het aantal (nog) onbevoegden, dat noodgedwongen aan deze instellingen werkzaam is, kan op gemiddeld 40 % geschat worden. [2] Daar komt nog bij, dat een flink aantal muzieklessen niet eens gegeven kan worden wegens gemis aan leerkrachten.

Onze huidige maatschappij biedt een veel grotere plaats voor muziekpedagogen, dan een jaar of dertig geleden nog het geval was. Toen was het een waagstuk het muziekleven in te gaan. Men was erop aan- gewezen, een particuliere lespraktijk op te bouwen met alle geduld en risico daarvan.

De muziekscholen waren beperkt in aantal en hadden aan salaris niet veel te bieden. Deze situatie is totaal veranderd. Wie een Akte Muziekonderwijs bezit hoeft niet verlegen te zitten om emplooi. De sociale positie van de muziekleerkracht is aanzienlijk beter geworden. Een belangrijk verschijnsel is ook, dat bij de opleiding tot vakmusicus een andere mentaliteit is wakker geworden. Vroeger zat bij het merendeel der conservatorium leerlingen de gedachte vóór, een – liefst schitterende – podiumcarrière tegemoet te gaan. Het muziekonderwijs werd als een uitwijkmogelijkheid gezien voor het geval men als uitvoerend kunstenaar niet zo best zou slagen. Deze irreële instelling is gelukkig grotendeels verdwenen.

De instellingen voor muziekvakonderwijs zijn zich welbewust gaan richten naar de behoeften van de maatschappij. De vorming van leerkrachten en leiders van amateuristische muziekbeoefening heeft binnen het totale opleidingsplan een eigen structuur gekregen. Het wordt niet meer als een mankement aan talent gezien wanneer een aankomend musicus zich van meet af aan op de pedagogische kant van dit beroep gaat toeleggen. Integendeel: de pedagogische sector van het vakmuziekonderwijs is een bijzonder levendig en boeiend studieveld geworden, waar de musicus zich veelzijdig kan ontplooien, en waar hij zich kan voorbereiden op een hem niet wat vaag voor ogen zwevende, maar wezenlijk bestaande, omlijnde taak, die er toch allerminst star uitziet, want het muziekonderwijs kent vele aspecten.

Bovengeschetste ontwikkeling heeft er aanleiding toe gegeven om naast het Conservatorium, dat het pedagogisch seminarie als onderdeel van zijn veel omvattend leerplan kent, een instelling op te zetten, die zich alleen bezighoudt met het opleiden van onderwijskrachten. Zulk een Muziekpedagogische Akademie is vooral op z’n plaats in die regio’s van het land, waar geen Conservatorium gevestigd is, maar waar toch een dringende behoefte bestaat aan muziekonderwijs personeel. In 1973 kwam te Leeuwarden de eerste Muziek- pedagogische Akademie tot stand en thans is men te Alkmaar bezig de afdeling Vak- opleiding van de Volksmuziekschool om te vormen tot een Muziekpedagogische Akademie, hetgeen op 1 augustus 1975 z’n beslag zal krijgen. Bij beide instituten is sprake geweest van een ontwikkeling, die voortsproot uit een cultuurpatroon dat zich in het eigen rayon steeds duidelijker kenbaar maakte.

De Alkmaarse Volksmuziekschool is een betrekkelijk nog jonge instelling. De directeur O. Bootsma, uit de onderwijswereld afkomstig, ging van harte mee met de opvatting dat een muziekschool niet enkel gelegenheid heeft te bieden voor individuele lessen, maar dat zij ten dienste gesteld moet worden aan de muzikale volksontwikkeling in de brede zin van het woord. Vandaar dat aan de algemene muzikale vorming primaire aandacht werd besteed en het samenspel werd bevorderd.

De Alkmaarse Volksmuziekschool was ook een van de eerste muziekscholen, die vormingscursussen organiseerde ten dienste van de plaatselijke zangkoren. Toen onder de oudere leerlingen de ambitie naar voren kwam om de muziek als vak te kiezen (verscheidene waren reeds tot het toelatingsexamen van een Conservatorium gebracht) werd in 1962 graag van de gelegenheid gebruik gemaakt om te gaan figureren als ,,Muziekschool met Vakopleiding”, hetgeen inhield dat voortaan opgeleid kon worden voor de lagere onderwijsakten, waarvoor de bevoegdheid behaald kon worden via de staatsexamens.

In deze afdeling Vakopleiding zat een flinke groei: na een jaar of tien had zij reeds een bestand van een 140-taI studenten voor een grote verscheidenheid van instrumenten, terwijl het hoofdaccent viel op het vak AMV. Toen in 1968 de “Mammoetwet” in werking kwam en het muziekvakonderwijs als Hoger Beroepsonderwijs onder de Wet op het Voortgezet Onderwijs kwam te vallen, bevond de Alkmaarse vakopleiding zich in het stadium, waarin het rijp geworden was om in deze nieuwe constellatie mee te kunnen gaan. Vooral de figuur van Muziekpedagogische Akademie kwam goed van pas, want er werd geen ambitie gevoeld om de vakopleiding tot een conservatorium uit te bouwen. In Noord-Holland zijn 24 muziekscholen (waarvan 14 boven het IJ).

In zo’ n rijke configuratie van allerlei schooltypes en een bloeiend amateuristisch muziekleven heeft men juist behoefde aan muzikale krachten, in wier opleiding een Muziekpedagogische Akademie voorziet. Men hoopt dan ook deze binnenkort van start gaande Muziekpedagogische Akademie zo efficiënt mogelijk op het aanwezige ,,werkveld” in te stellen.
De voorwaarden zijn een stuk gunstiger aangezien men over een volledige, “dagschool” gaat beschikken, de studenten ruimere studiefaciliteiten krijgen, en voor de docenten een betere rechtspositie is geschapen.

Het is voor de studenten van een Muziekpedagogische Akademie van groot belang, dat ze de muziekschoolpraktijk leren kennen. De Volksmuziekschool met haar ruim 1500 leerlingen is dicht bij de hand om er stage te kunnen lopen, en aangezien daar het ensemblespel als de ruggengraat van het muziekschoolwerk wordt beschouwd, zal men deze praktijk goed kunnen keren kennen. Directeur Bootsma vindt het van groot belang dat een muziekschooldocent de flexibiliteit bezit om in allerlei bezettingen aan de slag te kunnen gaan, waarbij het aanbeveling verdient dat de docent over de vaardigheid beschikt om – naar behoefte van het moment en aansluitend bij de voorhanden zijnde bezetting – bewerkingen te maken of zelf te componeren.

Van de mogelijkheden van veelvormigheid, die in het muzikantschap liggen opgesloten, wordt in de onderwijspraktijk nog te weinig geprofiteerd. Een piano- leraar bijvoorbeeld, die niets anders doet dan lesgeven aan beginners en amateurs, zou best eens meer plezier in zijn muziekschoolwerk kunnen krijgen, wanneer hij het kan afwisselen met een ander instrument of met AMV en ensemblespel. Het is voor een muziekstudent met algemene aanleg niet zo moeilijk om meerdere pijlen op z’n boog te spannen. Aan een Muziekpedagogische Akademie zou dit mogelijk moeten zijn, ook al voorzien de wettelijke bepalingen daar misschien nog niet in.

Een nieuwe instelling heeft nog alle kans om haar eigen vorm en radius te vinden, en daar het muziekonderwijs moet open- staan voor nieuwe stromingen en ontwikkelingen, kan juist een Muziekpedagogische Akademie daarop inspelen.De Muziekpedagogische Akademie te Alkmaar gaat haar toekomst op een gelukkig moment in, omdat aan de huisvestingsperikelen van de Volksmuziekschool kort geleden een eind is gekomen.

De gemeente Alkmaar heeft beide instellingen beschikking gegeven over een verbouwd Bejaardenhuis, dat voor het muzikale onderwijswerk een ideale accommodatie biedt: een 34-tal leskamers met een grote diversiteit van afmeting, zodat allerlei vormen van onderwijs er aangepaste ruimten vinden; kamers voor directie en administratie, een aantrekkelijke koffiekamer en een zaal met balkon voor ensemblerepetities en – concerten. De ligging aan het Nassauplein is centraal en dichtbij het station. Stad en omgeving beschikken hierdoor over een huis-van-muziek, van waaruit een krachtige impuls kan uitgaan voor het muzikale welzijn van een sterk in uitbreiding verkerend  woongebied.

[1] Zie het artikel ,,De Muziekpedagogische Akademie” het septembernummer 1973 van Mens en Melodie, pag . 257.

[2] Volgens gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek bedroegen de door onbevoegden gegeven muzieklessen In 1973 bij het HBO, VWO en HAVO 24 %, bij LBO, MAVO en LAVO 53 %.

Advertenties